Je loopt een trap op en boven aangekomen merk je dat je hart sneller klopt. Je stapt een warme ruimte binnen en voelt een lichte duizeligheid. Je wordt wakker en registreert direct een zwaar gevoel in je benen. Dat vermogen om waar te nemen wat er in je lichaam gebeurt, heet interoceptie.
Interoceptie speelt een rol bij alles wat je voelt. Honger, dorst, pijn, vermoeidheid, spanning, misselijkheid, benauwdheid, een verhoogde hartslag of een knoop in je maag; het zijn allemaal ervaringen die voortkomen uit signalen vanuit het lichaam. Zonder interoceptie zou je geen idee hebben van wat er zich binnenin afspeelt. Toch is interoceptie geen strak registratiesysteem dat objectief doorgeeft wat er gebeurt. De signalen die vanuit het lichaam binnenkomen zijn vaak vaag, onvolledig en voor velerlei uitleg vatbaar. Het brein probeert voortdurend te begrijpen wat die signalen betekenen. Daarbij gebruikt het eerdere ervaringen, verwachtingen, herinneringen en alles wat het in het verleden heeft geleerd. Dat proces verloopt zo vliegensvlug dat we alleen de uitkomst ervaren.
Een voorbeeld: stel dat je op vakantie bovenaan een steile bergpas staat. Je kijkt uit over een indrukwekkend landschap, je voelt je hart sneller kloppen en merkt een lichte spanning in je buik. Diezelfde lichamelijke sensaties kunnen ook optreden wanneer je een spannend telefoontje verwacht of in een wachtkamer zit voor een medisch onderzoek. Het lichaam produceert vergelijkbare signalen. Maar door de situatie verandert de betekenis en daarmee de ervaring. Op de berg is het: ‘wauw, wat een fantastisch moment’, in de wachtkamer ‘ik hoop maar dat het goed nieuws is’.
Interoceptie en lichamelijke signalen
Op het moment dat je dit leest, ontvangt je brein informatie uit je spieren, gewrichten, organen, bloedvaten, ademhalingssysteem en immuunsysteem. Een groot deel daarvan bereikt je bewustzijn nooit. En dat is maar goed ook. Want wanneer je ieder signaal bewust zou ervaren, zou er nauwelijks ruimte overblijven voor iets anders. Je brein schat voortdurend in welke signalen aandacht verdienen en welke op de achtergrond kunnen blijven.
Dat principe herken je waarschijnlijk ook buiten je lichaam. Zodra je op zoek bent naar een bepaald automodel, lijkt dat model ineens overal rond te rijden. Zodra iemand in je omgeving zwanger is, zie je overal kinderwagens. We noemen dat ‘selectieve perceptie’: je aandacht verandert en daardoor verandert ook wat je opmerkt. Bij lichamelijke signalen werkt dat niet anders.
Wanneer een bepaald symptoom veel betekenis krijgt, verschuift de aandacht steeds vaker naar dat gebied. Een hartslag die jarenlang volledig op de achtergrond aanwezig was, wordt ineens iets wat je meerdere keren per dag opmerkt. Een licht gevoel in je hoofd, een steekje in je rug of een verandering in je ademhaling krijgt meer gewicht dan voorheen. Dat gebeurt allemaal niet bewust, het is een normaal leerproces van het zenuwstelsel.
Interoceptie bij chronische klachten
Na een blessure, een ziekteperiode of een periode van langdurige klachten kan het systeem steeds alerter worden op lichamelijke veranderingen. Het brein heeft geleerd dat bepaalde signalen extra aandacht verdienen en gaat ze daardoor sneller opmerken. Je wordt je hyperbewust van je sensaties of klachten.
Iemand die ooit een ernstige voedselvergiftiging heeft gehad, kan enorm gefocust worden op iedere sensatie in de buik. Na een periode met hartkloppingen kan de aandacht sneller naar het hart gaan. Na maanden van vermoeidheid ontstaat er vaak een sterke gerichtheid op energieniveaus, lichamelijke belasting en herstel. En dat is ook belangrijk voor het brein: zo kan het er als de kippen bij zijn als er weer eens iets mis is.
Dus je zenuwstelsel probeert voortdurend voorspellingen te maken over wat relevant is. Daarbij gebruikt het eerdere ervaringen als referentiepunt. Wanneer bepaalde signalen lange tijd gekoppeld zijn geweest aan klachten, krijgt het systeem een grotere gevoeligheid voor die signalen.
Interoceptie en predictive processing werken op dit punt met elkaar samen. Het brein gebruikt eerdere ervaringen om voorspellingen te maken over wat er in het lichaam gebeurt (predictive processing) en interoceptie levert de signalen waarop die voorspellingen worden afgestemd.
Interoceptie en predictive processing
Vaak gaan we ervan uit dat er eerst een lichamelijk signaal ontstaat en dat het brein daarna registreert wat er gebeurt. Onderzoek laat echter een dynamischer beeld zien. Het brein voorspelt voortdurend welke signalen het verwacht tegen te komen en vergelijkt die voorspellingen met de informatie die vanuit het lichaam binnenkomt. Dat gebeurt de hele dag door.
Wanneer je een citroen ziet en je mond direct begint te reageren, ervaar je hoe sterk verwachtingen lichamelijke processen kunnen beïnvloeden. Het lichaam wacht niet rustig af totdat de eerste druppel citroensap je tong raakt. Het bereidt zich alvast voor. Datzelfde principe speelt een rol bij veel andere lichamelijke ervaringen.
Na verloop van tijd kunnen verwachtingen, eerdere ervaringen en lichamelijke signalen steeds sterker met elkaar verweven raken. Als je zenuwstelsel veel bezig is geweest met pijn, vermoeidheid of andere klachten, kan het daar steeds gevoeliger voor worden. Vergelijk het met een rookmelder die afgaat bij het vlammetje van een waxinelichtje.
Interoceptie en herstel
Met dat inzicht kun je anders naar klachten kijken. De vraag wat er precies misgaat in een bepaald lichaamsdeel wordt dan een stuk minder relevant dan de vraag hoe het brein en lichaam samenwerken bij het waarnemen en interpreteren van signalen. En juist omdat dit systeem voortdurend leert, kan het ook nieuwe ervaringen opdoen. Signalen die lange tijd gekoppeld waren aan ongerustheid, gevaar of achteruitgang kunnen geleidelijk een andere betekenis krijgen. Daarmee ontstaan ook nieuwe voorspellingen. En dat leerproces, die ’training van het brein’ speelt een belangrijke rol bij herstel.
