Als mensen bij de intake gaan uitleggen wat ze voelen, zeggen ze vaak dat ze het gevoel hebben dat ze altijd aan staan. Vaak hebben ze daarmee de kern al in één adem te pakken.

Die woorden hebben hun eigen gewicht. Ze hangen een moment tussen ons in voordat we verder kunnen praten. Want we weten allebei dat het niet over druk-druk-druk gaat. Het gaat over iets in de kern. Alsof er diep van binnen een kleine motor draait die nooit helemaal tot stilstand komt.

 

Altijd aan staan: de stille motor

Het is een stille motor, eentje die je bijna niet hoort maar wel continu voelt. Hij trilt zacht en constant. Er zit een soort dwingende energie in. Je voelt hem vooral wanneer je probeert te ontspannen. Wanneer je op de bank zit of naar bed gaat of eindelijk een lege dag voor je hebt. Dan merk je dat de motor steeds draait. Alsof je lichaam zegt: er kan elk moment iets gebeuren, blijf maar alert.

Lichamelijke signalen

Soms merk je het aan je adem die hoog blijft. Soms aan je schouders die net iets meer spanning vasthouden. Soms voel je geen duidelijke spanning maar vooral een soort innerlijke waakzaamheid. Een oplettendheid die je niet bewust hebt gekozen. Alsof het lichaam eerder weet dat alles veilig is dan dat jij dat van binnen voelt.

Veel mensen met chronische (pijn)klachten herkennen dit innerlijke aanstaan. Het voelt als een oude jas, een vertrouwde manier van zijn. Het heeft moeten ontstaan omdat het ooit nodig was, omdat je veiligheid zocht. En veiligheid lijkt een groot woord, maar het is een basisbehoefte van ieder kind.

De oorsprong van dat altijd aan staan

Misschien ben je ooit voorzichtig geworden omdat dat onduidelijk was wat er van je werd verwacht. Misschien is het ontstaan tijdens periodes waarin je weinig ruimte voelde om je terug te trekken of juist toen je aandacht vroeg op het verkeerde moment. Misschien omdat je vaak op je kop kreeg of geen fouten mocht maken. Of goed moest begrijpen hoe de regels in elkaar zaten, terwijl die telkens veranderden. Ooit was het belangrijk voor je om je dit eigen te maken. En je hebt het uit gewoonte bij je gehouden.

Dit altijd aan staan vraagt veel van een lichaam. Niet in heftige signalen maar in subtiele, continue spanning. De kaken die nét wat te vaak aangespannen blijven. De borstkas die zich klein houdt terwijl je denkt dat je vrij ademt. De ogen die scannen zonder dat jij dat bewust doet. Al die kleine signalen stapelen zich. Je merkt het pas wanneer je lichaam ineens harder spreekt dan je zou willen.

 

Een rustiger ritme in jezelf vinden

Je zou verwachten dat de weg uit dat altijd aan staan vanzelf komt wanneer je rust neemt. Maar als je lichaam gewend is om waakzaam te zijn, kan rust zo ongemakkelijk voelen, zo onnatuurlijk. Stilte kan ook onveilig voelen. Je merkt ineens wat er onder al dat aanstaan ligt: een diepe vermoeidheid of een lastige spanning die niet loslaat. Of misschien is er verdriet of een onbestemd gevoel van gejaagdheid. De onrust die ontspanning kan brengen is feitelijk een signaal van je lichaam dat nog zoekt naar hoe rust eigenlijk hoort te voelen.

Je kunt de neiging hebben om aan die onrust tegemoet te komen door je TV aan te zetten of je mobiel te pakken. Maar daarmee leidt je de onrust af en blijf je aan staan.

 

Bewust aandacht geven

Er is juist iets zachts nodig om die motor tot rust te laten komen. Een moment waarop je voelt wat er speelt en daar even bij kunt blijven. Het moment waarop je merkt: hé, ik zit alweer iets te rechtop, mijn benen wiebelen, mijn kaken zijn gespannen of mijn adem blijft hoog. Vanuit dat besef kun je bij de signalen blijven, ze ervaren, voelen en langzaam merken dat het ritme van binnenuit kan veranderen. Door je innerlijke beeldscherm leeg te vegen, je ademhaling te voelen, je lichaam bewust te zijn en je zachtjes tegen jezelf zegt: rustig maar, je hoeft nu even niet op te letten. En je ademt een paar keer diep door.

Inchecken bij jezelf

Je bewust zijn van het motortje maakt een eerste stap naar een andere manier van zijn. Je kunt kleine momenten in de dag inbouwen waarop je bij jezelf incheckt. Het kan al helpen wanneer je bij het opstaan een hand op je borst legt en zegt dat die kleine motor vandaag iets minder hard hoeft te draaien. Of door een stille minuut na het ontbijt waarin je merkt hoe je lichaam eigenlijk wil ademen. En soms kun je je tijdens je werk een kort moment nemen waarin je even de tijd en ruimte neemt om te zakken, om je lichaam, je ademhaling te voelen en je systeem kalmerend toe te spreken.

 

Langzaam maar zeker

Het aanstaan verdwijnt niet in één keer. Het is eerder een langzaam uitademen. Een terugvinden van een ritme dat ergens vanbinnen nog bestaat. Je merkt het wanneer je lichaam spontaan een zachtere beweging maakt. Wanneer je adem vanzelf dieper wordt. Wanneer je voelt dat je geen controle hoeft te houden over alles wat mogelijk zou kunnen gebeuren.

Er komt een moment waarop je merkt dat je niet meer voortdurend alert bent. Dat je lichaam zich even kan laten dragen door de stoel waarop je zit. Dat je gedachten niet meteen vooruit hoeven te schieten. Dat je niet hoeft te bewaken wat er om je heen gebeurt.

Dat moment is klein. Maar het verandert iets. Het vertelt je lichaam dat het veilig genoeg is om een deel van die oude waakzaamheid los te laten. En dat kan een aanknopingspunt zijn voor je zenuwstelsel om herstel in te zetten.