Veel mensen met chronische (pijn)klachten ontdekken pas hoe zeldzaam veiligheid is wanneer het lichaam signalen begint te geven.

We denken bij veiligheid vaak aan een dak boven je hoofd, een vaste baan en leven in een land zonder oorlog. Maar je echt veilig voelen is vaak iets dat losstaat van deze zaken. Het is een diep, lichamelijk weten dat je mag ontspannen. Dat je niet op scherp hoeft te staan en even niets hoeft te bewaken.

Veel mensen ontdekken pas hoe zeldzaam dat gevoel is wanneer het lichaam signalen begint te geven: vermoeidheid, pijn, slapeloosheid of een voortdurende spanning die niet echt weggaat. Lees hier meer over hoe pijn of andere klachten chronisch kunnen worden.

De biologie van veiligheid

Ons gevoel van veiligheid is niet alleen een emotie, maar vooral een biologische toestand. Het wordt geregeld door het autonome zenuwstelsel, dat voortdurend inschat of de omgeving veilig is. Dat systeem werkt grotendeels buiten ons bewustzijn. Eén blik, de toon van een stem een geluid, een emotie die opkomt –  en het lichaam beslist al: ontspannen of waakzaam.

De neurofysioloog Stephen Porges beschreef dit in zijn polyvagaaltheorie. Volgens hem kent ons zenuwstelsel drie standen:

  • Sociale betrokkenheid – waarin we verbinding en rust ervaren.
  • Vecht-of-vlucht – waarin het lichaam zich mobiliseert om te beschermen.
  • Bevriezing of terugtrekking – waarin we ons afsluiten om te overleven.

Het bijzondere is dat deze reacties zich vormen in relatie tot anderen. Ons zenuwstelsel leert veiligheid via gezichtsuitdrukkingen, stemgeluid en aanraking. Bij een kind dat in de ogen van een ouder ziet dat alles goed is, vertraagt de hartslag.

Wanneer veiligheid al vroeg wankelt

Niet ieder kind groeit op in een omgeving waar die signalen consequent aanwezig zijn. Sommige ouders zijn fysiek aanwezig, maar emotioneel onbereikbaar. Anderen zijn liefdevol, maar onvoorspelbaar. En soms is er gewoon te veel druk, zorg of chaos om écht op de kinderen gericht te zijn.

Dan leert het kind iets anders: dat het beter is om te observeren dan te voelen. Het leert om zich aan te passen en spanning niet te tonen. Het zenuwstelsel slaat die informatie op als (overlevings)strategie. Wat in eerste instantie bescherming biedt, wordt uiteindelijk een blauwdruk. In de impact van een ‘makkelijk kind’ zijn ga ik dieper in op hoe aanpassing in de kindertijd het zenuwstelsel blijvend beïnvloedt.

In de volwassenheid zien we dat dan terug in subtiele vormen van onveiligheid: een lichaam dat altijd ‘aan’ staat, een adem die hoog blijft, pleasegedrag of een patroon van piekeren en slecht slapen. Dit gebeurt door een diep ingesleten, onbewuste, gewoonte van waakzaamheid.

Veiligheid bij chronische (pijn)klachten

Chronische (pijn)klachten zijn geen losstaand verschijnsel van het lichaam. Steeds meer neurowetenschappelijk onderzoek laat zien dat ze nauw verweven zijn met de manier waarop het brein veiligheid en dreiging inschat.

Wanneer het zenuwstelsel te vaak geactiveerd is geweest, wordt het overgevoelig. Het brein gaat dan pijn voorspellen, zelfs als er geen schade is. Dat noemen we neuroplastische pijn: echte pijn, maar veroorzaakt door een te scherp afgesteld alarmsysteem. Zie het als een rookmelder die al afgaat bij een brandend waxinelichtje. Studies van onder anderen dr. Howard Schubiner en dr. Tor Wager tonen aan dat de hersengebieden die fysieke pijn aansturen, ook actief zijn bij emotionele dreiging. Angst, schaamte of afwijzing kunnen dezelfde neurologische circuits aanzetten als fysieke verwonding.

Met andere woorden: een lichaam dat zich jarenlang onveilig heeft gevoeld, blijft bescherming bieden, zelfs wanneer het gevaar allang voorbij is.

De weg terug: veiligheid als ervaring

Veiligheid is niet iets wat we kunnen bedenken, het is iets wat ons zenuwstelsel opnieuw moet ervaren. Dat vraagt niet om technieken of controle, maar om contact. Contact met jezelf, met je lichaam, met je emoties, met de subtiele signalen die vroeger genegeerd moesten worden.

In therapie of begeleiding betekent dit dat het lichaam mag leren dat spanning niet meteen gevaar betekent. Dat de vervelende sensaties niet weggeademd hoeven te worden. Maar dat het juist aandacht nodig heeft en gezien mag worden. Langzaam ontstaat er dan iets wat niet makkelijk in woorden te vangen is. Het lijkt op een innerlijk weten dat de dreiging voorbij is. Dat je adem mag zakken, dat je hartslag niet meer hoeft te versnellen bij elk alarmsignaal.

Dat is de diepste vorm van herstel: wanneer veiligheid bij chronische (pijn)klachten niet langer iets is wat je probeert te bereiken, maar iets is geworden van waaruit je mag leven.