Misschien werd je vroeger een ‘makkelijk kind’ genoemd. Je vroeg weinig, regelde de dingen zelf en hield rekening met anderen. Je voelde dat dat prettig was voor je ouders. Ze deden hun best, al hadden ze het druk. En ergens, vaak zonder dat iemand het besefte, leerde jij dat het veiliger was om jezelf te redden dan om iets te vragen.

Je paste je aan, je hield je gevoelens voor je en slikte je tranen weg. Je vroeg geen troost meer, vertelde niet wat er in je omging. Zo werd stil worden een manier om veilig te blijven. Je brein trok daar zijn conclusies uit en begon veiligheid te verwarren met onzichtbaarheid.

De schijn van rust

Later leek alles op orde. Je deed wat er van je verwacht werd, hield overzicht en zorgde dat alles draaide. Van buiten zag het er rustig uit, van binnen voelde het gespannen. Gedachten bleven razen, taken stapelden zich op en je merkte dat je lichaam alert bleef. Hoe meer je probeerde te ontspannen, hoe sterker het gevoel dat er iets mis kon gaan.

Soms zei iemand: ‘misschien heb je ADD’. Het klonk aannemelijk, maar ergens voelde het niet zo. De onrust zat niet in concentratie, maar in het zenuwstelsel zelf. In een oud patroon dat ooit veiligheid bood en nu voortdurend spanning oproept.

Een lichaam dat blijft waken

Een kind dat zich niet echt gezien weet, ontwikkelt een scherp oog. Het leert letten op blikken, stemmen, stiltes. Het zoekt voortdurend naar signalen van nabijheid of afstand, van veiligheid of onveiligheid. Die alertheid raakt ingesleten. En ook al is de omgeving inmiddels veilig, het lichaam blijft waakzaam.

Je merkt het aan subtiele dingen: een gespannen adem, een hartslag die sneller gaat bij kritiek, een lichaam dat niet zakt in rust. Het brein blijft zoeken naar aanwijzingen dat het op moet letten. Alsof het elk moment iets moet opvangen wat ooit gemist werd.

De weg terug naar rust

Herstel begint bij herkennen wat er gebeurt. Niet door harder je best te doen, maar door te merken wat spanning oproept en wat juist rust geeft. Kleine momenten van bewustzijn, waarin je voelt hoe je lichaam reageert.

Een adem die kort wordt als iemand iets vraagt. Een schouder die optrekt bij een onverwachte toon. Een blik die afwendt als iets te dichtbij komt. Alleen al opmerken dat dit spanning is – geen tekort, geen fout – verandert iets.

In dat zien ligt de eerste ervaring van veiligheid. Je hoeft niet meer te vluchten voor wat je voelt. Je hoeft het alleen maar te herkennen als een oud waarschuwingssysteem dat nog aanstaat.

Wat er goed ging

Wie zichzelf herkent in het ‘makkelijke kind’ hoeft niets te herstellen dat fout is gegaan. Wat je toen deed, was wijs. Het was jouw manier om je aan te passen aan een omgeving die soms te weinig veiligheid bood. Dat patroon heeft je lang geholpen.

Nu je ouder bent, mag er iets anders ontstaan. Je brein kan leren dat echte veiligheid niet zit in aanpassen of controleren, maar in aanwezig zijn bij wat er nu is.

Misschien merk je het op een rustig moment. Een adem die vanzelf dieper gaat, een moment waarop niets hoeft. Een gevoel dat er ruimte is, zonder dat je die hoeft te verdienen.

Dat is waar veiligheid opnieuw begint.